Diensthond


Je kunt niet zomaar alle soorten honden gebruiken. Sommige zijn te klein, te groot, te lief of juist

veel te agressief. Een hond moet bepaalde lichamelijke kwaliteiten hebben.

Deze zijn:

A) Goed kunnen lopen
B) Goed kunnen zien, horen en ruiken
C) Een goede conditie hebben
D) Tegen koud en extreem warm weer kunnen
E) Een goed gebit hebben
F) Goede beharing
H) Niet lijden aan een ziekte of afwijking. (zoals HD)

Ook het karakter van de hond moet goed zijn.

Hier zijn enkele eigenschappen:

A) De hond moet temperament hebben. Een temperamentvolle hond is een oplettende hond, is enthousiast en heeft veel werklust. Heeft een hond dit niet, dan is hij ongeschikt voor de opleiding

B) Scherpte of 'moed'. De hond mag niet bang zijn als er iets vreemds gebeurd.

C)Gehechtheid. De hond en baas moeten aan elkaar gehecht zijn. De hond wil maar al te graag bij zijn baas zijn en ook alles voor hem doen. De baas zal meer van de hond vragen dan andersom.

D)Kalmte. De hond moet ook in vreemde omstandigheden toch kalm blijven en zelfvertrouwen tonen. Een zenuwachtige hond is niet geschikt voor politiehond.

C)Betrouwbaarheid. Dit is erg belangrijk. De hond mag vb . niet zomaar ineens iemand gaan aanvallen. Het is dus wel duidelijk dat niet alle honden aan de bovenstaande eisen voldoen.

De meest geschikte rassen zijn:

A) Duitse herders
B) Hollandse herders
C) Mechelse herders.




          Hermans Robby.